buffalo, farmer, cultivating, agriculture, asia, cambodia, culture, farm, farmland, harvesting, work, labor, laos, lifestyle, countryside, malaysia, myanmar, burma, people, rice, thailand, tradition, traditional, vietnamese, farmer, farmer, farmer, farmer, farmer, agriculture, agriculture, work
Foto van sasint op Pixabay

Arbeidsmarkt

UWV en CBS als arbeidsmarktmonitor: cijfers lezen en toepassen

CBS en UWV publiceren elke maand samen een persbericht over de werkloze beroepsbevolking en de WW-uitkeringen. Toch meten ze niet hetzelfde.

CBS en UWV: één arbeidsmarkt, twee cijferbronnen

CBS en UWV publiceren elke maand samen een persbericht over de werkloze beroepsbevolking en de WW-uitkeringen. Toch meten ze niet hetzelfde. Het CBS stelt de werkloze beroepsbevolking vast volgens de richtlijnen van de International Labour Organization (ILO), op basis van de Enquête Beroepsbevolking: een steekproef waaraan maandelijks bijna 20 duizend mensen in Nederland meedoen. UWV registreert het aantal lopende WW-uitkeringen en zegt zelf dat die uitkeringscijfers niet een-op-een vergelijkbaar zijn met de indicatoren over de beroepsbevolking.

Dat niveauverschil zie je terug in de maandcijfers. In juli 2026 telde het CBS 404 duizend werklozen; UWV registreerde eind die maand 200 duizend lopende WW-uitkeringen. In oktober 2025 stonden daar 411 duizend werklozen tegenover — 4 procent van de beroepsbevolking van 15 tot 75 jaar — en ruim 195 duizend WW-uitkeringen. Het gat is deels structureel: de WW registreert ontslagwerkloosheid, niet alle werklozen.

Voor beleidsanalyse bieden de twee bronnen verschillende informatie. De ILO-indicatoren worden wereldwijd gebruikt om de conjuncturele ontwikkeling van de arbeidsmarkt te beschrijven; maandcijfers zijn daarbij essentieel. De UWV-reeks voegt uitvoeringsinformatie toe: het volume aan lopende uitkeringen, de instroom en beëindiging per maand en een uitsplitsing naar sector.

Werkloosheid (CBS) vs. Lopende WW-uitkeringen (UWV) – Juli 2026

  • 404Werkloze beroepsbevolking (CBS, ILO-definitie)
  • 200Lopende WW-uitkeringen (UWV)

Voor- en nadelen van CBS (ILO) versus UWV (WW-uitkeringen)

  • Voordelen CBS (ILO)Internationaal vergelijkbare indicatoren; meet alle werklozen volgens ILO; seizoengecorrigeerd voor conjunctuuranalyse
  • Nadelen CBS (ILO)Steekproefgebaseerd met onnauwkeurigheid; geen directe uitvoeringsdata over uitkeringen
  • Voordelen UWV (WW)Directe administratieve data over instroom, beëindiging en sectorale verdeling; nuttig voor beleid en uitvoering
  • Nadelen UWV (WW)Meet alleen ontslagwerkloosheid; niet vergelijkbaar met ILO-cijfers; sterk afhankelijk van uitkeringsduur en regelgeving

Wie telt mee? Werkloos, werkzaam en buiten de beroepsbevolking

Volgens de ILO-definitie omvat de werkloze beroepsbevolking alle personen van 15 tot 74 jaar zonder betaald werk die actief naar werk zoeken en daarvoor beschikbaar zijn. De werkzame beroepsbevolking bestaat uit alle personen van 15 tot 74 jaar met betaald werk. Wie geen betaald werk heeft én niet recent heeft gezocht of niet direct beschikbaar is, valt buiten de beroepsbevolking. In oktober 2025 ging het om 3,2 miljoen mensen, vooral gepensioneerden en mensen die door ziekte of arbeidsongeschiktheid niet kunnen werken. Semi-werklozen — mensen die wel hebben gezocht maar niet direct beschikbaar zijn, of omgekeerd — horen evenmin bij de gewone beroepsbevolking.

Naast de ILO-reeks en de WW-administratie is er een derde registratie: het bestand Geregistreerde werkzoekenden UWV (Gwubus). Dat bevat personen van 15 tot 75 jaar die bij UWV als werkzoekend staan geregistreerd met een WW-, bijstands-, Wajong-, WGA- of WAO-uitkering, met dienstverlening van UWV of gemeenten, of met een actief cv op werk.nl. De bestanden lopen over 2018-2025.

Hoe wordt het aantal werklozen door CBS gemeten?

  1. Leeftijdsgroep15 tot 74 jaar
  2. Definitie volgens ILOZoekt actief naar werk en is direct beschikbaar
  3. SeizoencorrectieGebruikt voor kortetermijnanalyse

Maandcijfers lezen zonder ruis: seizoencorrectie, marge en driemaandsgemiddelde

Voor de kortetermijnontwikkeling gebruikt het CBS cijfers die voor seizoeninvloeden zijn gecorrigeerd; die houden rekening met veranderingen die zich ieder jaar opnieuw voordoen. Voor jaar-op-jaarmutaties gebruikt het CBS juist de niet-gecorrigeerde cijfers. Het standaardpatroon: in de eerste maanden van het jaar stijgt het aantal werklozen doorgaans, bijvoorbeeld door aflopende contracten of slechte weersomstandigheden; ook in juli stijgt de werkloosheid, waarna die in augustus weer daalt, vooral bij jongeren. Dat patroon is niet elk jaar precies gelijk — afwijkingen van het standaardpatroon blijven zichtbaar in de cijfers.

Omdat de Enquête Beroepsbevolking een steekproef is, kennen de uitkomsten een onnauwkeurigheidsmarge. Voor het beoordelen van de ontwikkeling van de werkloosheid is een langere periode daarom beter; daarom staat in het persbericht de gemiddelde maandmutatie over de afgelopen drie maanden. In juli 2026 nam het aantal werklozen over die drie maanden met gemiddeld 2 duizend per maand toe, terwijl het aantal mensen met betaald werk met gemiddeld 11 duizend per maand afnam. Zulke maandmutaties zijn klein genoeg dat één losse maand weinig onderscheidend vermogen heeft.

Let bij langere reeksen op de methodebreuk. Door een nieuwe EU-verordening heeft het CBS de manier waarop het de beroepsbevolking meet aangepast; vanaf januari 2022 publiceert het CBS cijfers volgens de nieuwe meetmethode. Die methode brengt niet alleen meer werklozen, maar ook meer werkenden in beeld, en vergroot het verschil tussen het aantal werklozen en het aantal WW-uitkeringen. In december 2021 was het werkloosheidspercentage volgens de nieuwe systematiek 3,8; volgens de oude methode zou dat 2,8 zijn geweest. Om de ontwikkeling over een lange reeks jaren zonder onderbreking te kunnen weergeven, zijn de cijfers vanaf 2003 herberekend. Gebruik bij historische vergelijking dus de herberekende reeks en niet de oude en nieuwe methode door elkaar.

Verder kijken dan de werkloze beroepsbevolking: onbenut arbeidspotentieel

In een krappe markt zijn er weinig werklozen. Eurostat en het CBS gebruiken daarom het ruimere begrip onbenut arbeidspotentieel. Dat bestaat uit drie groepen: (1) personen zonder betaald werk die recent naar werk hebben gezocht én daarvoor direct beschikbaar zijn, oftewel de werklozen; (2) semi-werklozen: personen zonder betaald werk die recent hebben gezocht maar niet direct beschikbaar zijn, of die niet recent hebben gezocht maar wel direct beschikbaar zijn; (3) onderbenutte deeltijdwerkers: personen met betaald werk in deeltijd die meer uren willen werken en daarvoor direct beschikbaar zijn.

Om internationaal te kunnen vergelijken deelt Eurostat het onbenut arbeidspotentieel door het totaal van alle werkenden, werklozen en semi-werklozen: de uitgebreide beroepsbevolking. De gewone beroepsbevolking omvat alleen werkenden en werklozen; semi-werklozen worden daarin niet meegenomen. In het vierde kwartaal van 2021 bedroeg het Nederlandse aandeel onbenut arbeidspotentieel in de uitgebreide beroepsbevolking 11,9 procent, net onder het EU-gemiddelde van 12,7 procent en goed voor een 19e plaats van de 31 Europese landen. Volgens de gebruikte definitie stond Nederland met 3,6 procent juist gunstig voor werkloosheid. Dat contrast laat zien dat het werkloosheidscijfer alleen een deel van de onbenutte arbeidsruimte meet.

Het CBS berekent de spanning op de arbeidsmarkt door het aantal openstaande vacatures te delen door het aantal werklozen. In het vierde kwartaal van 2021 kwam dat voor Nederland net boven de 1 uit: er waren meer openstaande vacatures dan werklozen. Van de 18 landen waarvan de gegevens bekend waren, stond Nederland op nummer 3; het krapst was Tsjechië, met bijna twee keer zoveel vacatures als werklozen, gevolgd door Duitsland met 1,25. Alleen in Tsjechië, Duitsland en Nederland waren er meer vacatures dan werklozen; in de overige 15 landen waren er meer werklozen dan vacatures.

Waarom het aantal WW’ers en werklozen uit elkaar loopt

Het verschil tussen beide reeksen is deels structureel. In 2024 stonden gemiddeld 372 duizend mensen als werkloos in de ILO-beroepsbevolking, maar slechts 60 duizend van hen hadden een WW-uitkering. De WW meet alleen ontslagwerkloosheid: bijzondere uitkeringen wegens tijdelijke werktijdverkorting, meteorologische omstandigheden of faillissement blijven buiten beschouwing, en private WW uit cao-afspraken telt niet mee. Een werkloze zonder opgebouwd WW-recht komt dus voor in de CBS-reeks en niet in de UWV-cijfers.

Ook de duur van de uitkering beïnvloedt het WW-volume, los van de werkloosheid. Sinds 2016 is de maximale duur van de WW geleidelijk teruggebracht van 38 maanden naar 24 maanden; in het nieuwe regeerakkoord wordt voorgesteld de maximale WW-duur vanaf 2028 verder te verkorten tot 12 maanden, waarbij iemand 24 jaar gewerkt moet hebben om recht te hebben op 12 maanden WW. In 2024 liep 1 op de 5 WW-uitkeringen twaalf maanden of langer. Hoe langer de maximale duur, hoe meer uitkeringen er op enig moment lopen bij een gelijkblijvende instroom.

De maandcijfers worden gedreven door stromen. De werkloosheid kan dalen doordat werklozen een baan vinden of stoppen met zoeken en de arbeidsmarkt — en dus de beroepsbevolking — verlaten; ze kan stijgen doordat werkenden hun baan verliezen of doordat mensen die zich eerder niet aanboden nu werk zoeken en niet meteen werk vinden. In oktober 2025 waren er 237 duizend mensen die drie maanden eerder nog werkloos waren, en bedroeg het totaal aantal mensen dat werkloos werd 259 duizend; in september waren die overeenkomstige stromen 236 duizend en 260 duizend. In oktober kwamen er 30 600 nieuwe WW-uitkeringen bij en werden 22 700 uitkeringen beëindigd, een saldo van 8 000; daarmee kwam UWV op ruim 195 000 lopende uitkeringen — 16 400 meer dan een jaar eerder (+9,1 procent). Een klein netto WW-saldo gaat dus samen met grote bruto stromen. Sectoraal liepen de cijfers uiteen: in alle sectoren kwamen er WW-uitkeringen bij, behalve bij de uitzendbedrijven (-1,4 procent), met de sterkste procentuele stijging bij de overige industrie (+24,6 procent), de overheid (+23,2 procent) en de landbouw, groenvoorziening en visserij (+20,6 procent).

Stijging van WW-uitkeringen per sector (oktober 2025)

Overige industrie
+24,6%
Overheid
+23,2%
Landbouw, groenvoorziening en visserij
+20,6%
Uitzendbedrijven
1,4%

Van cijfer naar duiding: toepassen in analyse en beleid

Begin bij de definitie en de periode, niet bij het getal. Stel vast of het cijfer ILO-werkloosheid betreft (personen van 15 tot 74 jaar, zonder betaald werk, recent gezocht en direct beschikbaar) of lopende WW-uitkeringen (15 jaar tot AOW-leeftijd), of het om een maand-, driemaands- of jaargemiddelde gaat, en of het seizoengecorrigeerd is.

Vergelijk daarna de twee bronnen naast elkaar in dezelfde maand, zoals in de tabel Werkloosheid en WW-uitkeringen. Het niveauverschil en de ontwikkeling van dat verschil zijn zelf informatie: in januari 2020 stonden er 390 duizend werklozen tegenover 241 duizend WW-uitkeringen, in juli 2020 waren dat 532 duizend tegenover 301 duizend. Gebruik daarnaast langere reeksen en let op breuken: voor de periode vóór 2022 zijn de cijfers vanaf 2003 herberekend, zodat een historische vergelijking niet op een methodewijziging stukloopt.

Combineer de werkloosheids- of WW-reeks met indicatoren die het bredere aanbod meten: de vacaturespanning (openstaande vacatures gedeeld door het aantal werklozen) en het onbenut arbeidspotentieel met zijn drie groepen. Voeg samenstellingsinformatie toe om te bepalen waar de beweging zit. In 2025 hadden gemiddeld 87 duizend mannen en 79 duizend vrouwen een WW-uitkering, en was 52 procent van de WW'ers 45 jaar of ouder; het jaargemiddelde kwam op 167 duizend WW'ers, 15 duizend meer dan in 2024, tegen een laagste stand in 2023 en een hoogste stand in 2014 met gemiddeld bijna 400 duizend.

Trek geen conclusie uit één maandcijfer. De seizoengecorrigeerde reeks over 2026 laat dat zien: 415 duizend werklozen in januari, 399 duizend in mei, 393 duizend in juni en 404 duizend in juli, terwijl het aantal WW-uitkeringen in januari 206 duizend was, in mei 199 duizend, in juni 197 duizend en in juli 200 duizend. Zulke bewegingen vallen binnen de onnauwkeurigheidsmarge van de Enquête Beroepsbevolking en binnen de normale ruis van in- en uitstroom in de uitkeringsadministratie.

Meer uit Arbeidsmarkt