Verduurzaming

CO2-voetafdruk meten: scope 1, 2 en 3 uitgelegd

De Corporate Carbon Footprint is de totale uitstoot van broeikasgassen — inclusief CO2 — uit alle bedrijfsactiviteiten, direct en indirect.

Wat is een CO2-voetafdruk en waarom meet je die?

De Corporate Carbon Footprint is de totale uitstoot van broeikasgassen — inclusief CO2 — uit alle bedrijfsactiviteiten, direct en indirect. Het GHG-protocol verplicht bedrijven al hun scope 1- en scope 2-emissies te verantwoorden en te rapporteren. Eerst bepaal je de grens: meestal is dat de rapporterende organisatie als geheel, maar het kan ook een product via een levenscyclusanalyse (LCA) of een evenement zijn. Neemt je organisatie deel in een joint venture, dan kan het betreffende percentage in de eigen voetafdruk worden meegenomen.

Meten is de basis voor reductie en klimaatdoelstellingen: de voetafdruk laat zien waar de meeste CO2-emissies vandaan komen, zodat je gerichte maatregelen neemt in plaats van in het wilde weg te verduurzamen. Voor een organisatie met meerdere vestigingen, wagenparken en inkoopstromen is dat onderscheid bepalend: de grootste post zit lang niet altijd waar de meeste activiteit plaatsvindt, en zonder berekening per scope en per bron kun je niet onderbouwen of een maatregel effect heeft.

Scope 1, 2 en 3: de indeling van het GHG Protocol

Het Greenhouse Gas (GHG) Protocol werd in 1998 gelanceerd en is het wereldwijde standaardkader voor het meten en beheren van broeikasgasemissies uit activiteiten in de particuliere en openbare sector, waardeketens en mitigatiemaatregelen. Het kwam tot stand via een partnerschap tussen het World Resources Institute en de World Business Council voor duurzame ontwikkeling. Het Protocol geeft bedrijven richtlijnen en vereisten om een inventaris van hun broeikasgasemissies op te stellen, inclusief de berekening van hun Corporate Carbon Footprint. Aan het GHG Protocol ging het Kyotoprotocol van 1997 vooraf, met de eerste bindende doelstellingen en maatregelen tegen klimaatverandering.

Het GHG Protocol verdeelt emissies in drie scopes. Scope 1 zijn directe CO2-emissies uit eigen emissiebronnen (eigen gebouwen-, vervoer- en productiegerelateerde activiteiten). Scope 2 zijn indirecte emissies door de opwekking van ingekochte en verbruikte elektriciteit, stoom, warmte of koeling. Scope 3 zijn indirecte emissies van emissiebronnen van andere organisaties in de waardeketen, waarop je geen directe invloed hebt; deze scope bestaat uit 15 categorieën. De Nederlandse CO2-Prestatieladder vindt haar fundament in dit protocol. Op co2emissiefactoren.nl staat het GHG Protocol aangeduid als wereldwijd het meest gebruikte protocol om broeikasgasuitstoot te berekenen.

Overzicht van CO2-emissies per scope: directe, indirecte en ketenemissies

  • 1Scope — Directe emissies uit eigen bronnen (bv. aardgasverwarming, dieselvoertuigen)
  • 2Scope — Indirecte emissies door ingekochte energie (elektriciteit, stoom, warmte)

Scope 1: directe emissies uit eigen bronnen

Scope 1 is je directe uitstoot: broeikasgassen komen vrij op het moment en op de plek waar je iets gebruikt. Zet je gas aan om te koken, dan komt er direct uitstoot vrij; rijdt een diesel- of benzinevoertuig, dan stopt de uitstoot zodra er gestopt wordt met rijden. Omdat je deze bronnen zelf beheert en zelf aan- en uitzet, heb je direct invloed op de omvang ervan.

In de Nederlandse praktijk gaat het om de eigen cv-ketel of verwarmingsinstallatie op aardgas, de eigen dieselwagen of bestelbus, en de eigen productieprocessen en gebouwen. Bij de berekening gebruik je de verbruiksgegevens van die bronnen — liters brandstof, kubieke meters aardgas — en vermenigvuldig je die met de bijbehorende emissiefactor. Omdat de uitstoot hier samenvalt met het gebruik, zijn maatregelen als brandstofkeuze, elektrificatie van het wagenpark of vervanging van de verwarmingsinstallatie rechtstreeks toe te rekenen aan scope 1.

Scope 2: indirecte emissies van ingekochte energie

Scope 2 omvat de indirecte CO2-emissies die ontstaan bij de opwekking van ingekochte en verbruikte elektriciteit, stoom, warmte of koeling. Doe je het licht aan, dan stoot je eigen lamp geen broeikasgassen uit, maar de stroom die daarvoor nodig was wel: die is elders opgewekt en de uitstoot vindt daar plaats. De emissies worden dus niet door jou geproduceerd, maar zijn het resultaat van productie elders.

Voor de berekening zet je het aantal verbruikte kWh elektriciteit om met een emissiefactor voor elektriciteit; de hoogte daarvan hangt af van hoe de elektriciteit is opgewekt. Door consequent de Nederlandse CO2-emissiefactoren te gebruiken, zijn je scope 2-uitkomsten vergelijkbaar tussen jaren en tussen vestigingen. Scope 2 is daarmee de scope waarin verbruiksreductie en een andere energie-inkoop het snelst zichtbaar worden in de cijfers, terwijl de bron van de uitstoot buiten je eigen terrein ligt.

Scope 3: indirecte emissies in de waardeketen

Scope 3 bestaat uit indirecte CO2-emissies die worden veroorzaakt door emissiebronnen van andere organisaties in de waardeketen, waarop je geen directe invloed hebt. De scope is opgedeeld in 15 categorieën, waaronder categorie 1 voor de CO2-uitstoot van ingekochte goederen en diensten en categorie 7 voor woon-werkverkeer. De overige categorieën bestrijken de rest van de keten, van toeleveranciers tot het gebruik en de verwerking van wat je afneemt.

Het onderscheid met scope 1 en 2 is niet de omvang, maar de plek waar de uitstoot ontstaat en wie de bron beheert. Voor categorie 1 heb je van leveranciers gegevens nodig over bijvoorbeeld de kilogrammen verpakking of materiaal die je inkoopt; voor categorie 7 vraag je medewerkers om reisgegevens naar en van het werk. Daardoor ben je bij scope 3 in de praktijk het meest afhankelijk van gegevens van anderen, terwijl je via inkoopeisen en leverancierskeuze wel invloed kunt uitoefenen op de uitstoot in die keten.

Zo bereken je je CO2-voetafdruk per scope

De rekenregel is voor alle scopes gelijk: verbruik × emissiefactor = CO2-uitstoot. Je vermenigvuldigt de verbruikte liters benzine met de CO2-emissiefactor voor benzine, uitgedrukt in kg CO2eq per liter brandstof; de uitkomst is de uitstoot van dat verbruik. De berekening per scope volgt dezelfde stappen: verzamel de verbruiksdata per bron, kies de emissiefactor die bij die eenheid hoort, vermenigvuldig en tel de posten per scope op.

Welke data je nodig hebt, verschilt per scope: verbruikte liters benzine voor scope 1, verbruikte kWh elektriciteit voor scope 2, en ingekochte kilogrammen verpakking of gemaakte kilometers met de trein voor scope 3. Werk bij voorkeur met de Nederlandse CO2-emissiefactoren op co2emissiefactoren.nl; die zijn gratis te gebruiken en bij gebruik wordt gevraagd naar de website te verwijzen. Met één vaste factorenlijst blijven je uitkomsten consistent en zie je bij een volgende meting of de gekozen maatregelen daadwerkelijk tot minder uitstoot leiden.

Belangrijkste gegevens over CO2-berekening in Nederland

Rekenformule
Verbruik × Emissiefactor = CO2-uitstoot
Nederlandse emissiefactoren
Gratis beschikbaar op co2emissiefactoren.nl met referentievereiste
Verplichte rapportage (RVO)
Bedrijven met ≥100 werknemers moeten jaarlijks verkeersgegevens rapporteren

Stappenplan om je CO2-voetafdruk te berekenen

  1. 1. Verzamel verbruiksdata per bronBenzine (liter), elektriciteit (kWh), aardgas (m³), etc.
  2. 2. Kies juiste emissiefactorGebruik Nederlandse factoren van co2emissiefactoren.nl
  3. 3. Bereken uitstoot per scopeVerbruik × emissiefactor per bron
  4. 4. Tel op per scopeTotaal scope 1 + 2 + 3 = Corporate Carbon Footprint

Van meetresultaat naar gerichte reductie

Het scope-overzicht wijst de hotspots aan: de posten met de grootste uitstoot leveren de meeste winst op bij een maatregel. De overheid noemt drie richtingen om de CO2-uitstoot van een bedrijf te verminderen: milieuvriendelijk vervoer voor jou en je medewerkers (duurzame mobiliteit), een duurzaam bedrijfspand, en het verduurzamen van productie en inkoop. Bij mobiliteit gaat het om kilometers — bijna de helft van alle wegkilometers heeft te maken met zakelijk reizen, dus daar zit een grote knop. In het pand leveren bijvoorbeeld ledverlichting en een andere vorm van energie om te verwarmen minder verbruik op, wat neerslaat op scope 2 en op het aardgasverbruik in scope 1. Verduurzaming van inkoop grijpt aan op scope 3, waar leverancierskeuze en inkoopeisen je aangrijpingspunten zijn.

Bij het bepalen van de volgorde helpt het te weten waar je al gegevens voor hebt. Bedrijven met 100 of meer werknemers rapporteren jaarlijks aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) over het zakelijke verkeer en het woon-werkverkeer van medewerkers; die gegevens sluiten direct aan op categorie 7. Voor energieverbruik geldt dat bedrijven en instellingen vanaf 50.000 kWh elektriciteit of 25.000 m3 aardgas (gelijkwaardig) per jaar verplicht zijn maatregelen voor energiebesparing te nemen; de Wetchecker energiebesparing geeft een overzicht van wat je moet doen om energie te besparen en hoe je daarover moet rapporteren aan de overheid. Wie het verbruik per bron al bijhoudt, kan diezelfde cijfers gebruiken om na te gaan welke maatregel de grootste reductie per scope oplevert.

Top 3 acties voor CO2-reductie op basis van scope-overzicht

  1. Duurzame mobiliteit (woon-werkverkeer)Bijna de helft van alle wegkilometers is zakelijk; focus op elektrische voertuigen en fietsen
  2. Energiebesparing in pandenLedverlichting, warmtepompen en isolatie verminderen scope 1 (aardgas) en scope 2 (elektriciteit)
  3. Duurzame inkoop (scope 3)Leverancierskeuze en inkoopeisen beïnvloeden emissies in de waardeketen

Meer uit Verduurzaming

Verduurzaming

CSRD: welke rapportageplichten gelden voor bedrijven?

De Corporate Sustainability Reporting Directive (CSRD) is een Europese richtlijn en onderdeel van de European Green Deal.